Maandag 18 november 2002 was herfstig: grauw, guur en vochtig. Nog geen vierentwintig uur eerder was ik in Kraków aangekomen na een vermoeiende busrit met zwijgende Polen. Ze hadden nauwelijks aandacht geschonken aan The Naked Gun, die de chauffeur ons ter vertier aanbood gedurende de donkere nacht door Duitsland - op een miniscuul tv-scherm, met Poolse nasynchronisatie. Herdershonden hadden ons nog wel even opgeschrikt bij de grens, maar verder was de bus in diepe rust verzonken geweest. Bij het ochtendgloren waren we de oude Poolse hoofdstad binnengereden. Ik had me uitgerekt en met mijn ogen geknipperd bij het uitstappen. Ik was er.
De wens om naar Silezië en het vroegere Generaal-Gouvernement af te reizen bestond al lang. Een motief daarvoor wist ik niet goed. Fascinatie? Interesse? Kon ik van oprechte betrokkenheid spreken als ik niet zelf iemand aan de gaskamers had verloren? Was ik niet een gewone ramptoerist, zoals velen met mij? Wat wilde ik daar? Veilig gruwelen om andermans leed?
Dat ik de overblijfselen van ‘s werelds grootste moordmachine wilde zien, kon ik niet verklaren. Ik ging.
Curieus genoeg is de snelste manier om het voormalige kamp vanuit Kraków te bereiken per spoor. Ik haalde met enige moeite een kaartje (de lokettiste sprak Duits noch Engels) en installeerde me in de internationale trein naar Wenen, die ook Oświęcim - zoals Auschwitz in het Pools heet - zou aandoen. Een schoenpoetser schoof langs de coupé, ik schudde mijn hoofd en bestudeerde het enorme vervoerbewijs dat ik zojuist had gekregen. Pas toen de trein zich in beweging zette, bemerkte ik dat ik een enkele reis in mijn hand hield.
Het baanvak was slecht onderhouden; we reden een tijd stapvoets. Tegenover me zat een vrouw van een jaar of veertig. Ik bladerde in een brochure over het kamp en keek af en toe naar buiten waar het lichtjes begon te regenen. Na enkele keren oogcontact met me te hebben gehad, besloot de vrouw me aan te spreken.
“Sie gehen nach Auschwitz?”
Ik knikte.
“Alleine?”, vroeg ze en fronste haar wenkbrauwen.
Enigszins in verlegenheid gebracht bevestigde ik haar vraag. Ze nam me wat nauwkeuriger op, tuitte kort haar lippen en zei toen langzaam en indringend:
“Ganz schwer...”
We raakten aan de praat. Zij was een Poolse van geboorte, maar was al jaren geleden naar Wenen verhuisd, waar ze inmiddels een gezin had. Ze kwam juist bij haar moeder in Kraków vandaan. Als kind had zij Auschwitz bezocht, ja, met school. Dat hoorde zo. In die tijd lagen de borstels en het afgeschoren haar van de gevangenen nog in grote bakken. Nee, geen glas ervoor zoals nu. Je kon alles zo aanraken en oppakken. Een absurd idee, dat vond zij nu ook. Pas later werd het een museum met vitrines.
We zwegen een poosje en verbaasden ons samen over dat grote raadsel van destijds, terwijl de wagons door het sombere landschap kropen en de metalen wielen steeds een harde dreun lieten horen.

